De staatssecretaris van Financiën heeft in het kader van de voorbereiding van het voornemen om de samenvoegbepaling af te schaffen een conceptregeling via internetconsultatie openbaar gemaakt: https://internetconsultatie.nl/wijzigingbelastinguitkeringen/b1
De Hoge Raad heeft vastgesteld, ECLI:NL:HR:2024:1657, dat de combinatie van de arbeidskortingsregeling en de samenvoegbepaling leidde tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden, in strijd met het discriminatieverbod. Daarmee staat vast dat sprake is van discriminatie door de Staat zelf.
Het kabinet kiest er evenwel voor deze schending uitsluitend voor de toekomst te beëindigen, door de samenvoegbepaling per 1 januari 2027 te wijzigen en de toepassing van de arbeidskorting op uitkeringen te beëindigen, zonder eerbiedigende werking voor de circa 11.000 werkende arbeidsongeschikten die thans als enige groep arbeidskorting ontvangen over een via de werkgever uitbetaalde uitkering. Deze groep werkende arbeidsongeschikten verliest daardoor gemiddeld circa € 3.000 netto per jaar, zonder enige vorm van compensatie, zonder overgangsrecht en zonder een reële mogelijkheid om zich tijdig op deze ingrijpende inkomensdaling in te stellen, terwijl tegelijkertijd geen effectief rechtsherstel met terugwerkende kracht wordt geboden aan de veel grotere groep arbeidsongeschikten die in het verleden door dezelfde wettelijke regeling is gediscrimineerd en nooit arbeidskorting over hun uitkering heeft kunnen ontvangen. Hoewel uit de beschikbare gegevens blijkt dat door het kabinet meerdere beleidsopties zijn verkend, zijn in het Beleidskompas slechts twee opties opgenomen. Dit roept ernstige twijfel op of daadwerkelijk sprake is geweest van een evenwichtige, kenbare en zorgvuldige afweging van alle redelijkerwijs in aanmerking komende alternatieven, en wekt veeleer de indruk dat is toegewerkt naar een vooraf bepaalde uitkomst.
Vragen aan de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over rechtsherstel na discriminatie bij de arbeidskorting
1. Herinnert u zich de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2024 waarin is geoordeeld dat de wettelijke regeling van de arbeidskorting in combinatie met de samenvoegbepaling leidde tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden, in strijd met het discriminatieverbod in internationale mensenrechtenverdragen?
2. Deelt u de opvatting dat in deze zaak sprake was van discriminatie door de staat zelf, nu het gaat om een door wetgeving en lagere regelgeving veroorzaakte ongelijke behandeling, en niet slechts om een incidentele uitvoeringsfout? Zo nee, waarom niet?
3. Kunt u concreet aangeven welke internationale normen u bij de beleidsafweging heeft betrokken, waaronder de relevante artikelen uit het EVRM, IVBPR en toepasselijke VN‑discriminatieverdragen, en wat naar uw oordeel uit deze normen volgt ten aanzien van de verplichting tot effectieve rechtsbescherming en rechtsherstel bij discriminatie door de staat?
4. Bent u het ermee eens dat bij vastgestelde schendingen van het discriminatieverbod door de staat in beginsel zowel beëindiging van de schending voor de toekomst als de mogelijkheid van herstel (bijvoorbeeld compensatie of andere vormen van genoegdoening) voor reeds benadeelden moet worden onderzocht en gemotiveerd kan worden afgewezen? Zo nee, waarom niet?
5. Kunt u een volledig overzicht geven van de beleidsopties die binnen het Beleidskompas‑traject zijn uitgewerkt om de door de Hoge Raad vastgestelde discriminatie op te heffen, uitgesplitst naar: opties die uitsluitend zien op toekomstige reparatie (aanpassing samenvoegbepaling, versobering arbeidskorting, e.d.); opties die (mede) gericht zijn op rechtsherstel voor de periode waarin de discriminerende regeling gold?
6. Is er binnen dat Beleidskompas‑traject een zelfstandige beleidsvariant uitgewerkt waarin rechtsherstel voor reeds benadeelden centraal staat, zoals: een nabetaling of fiscale tegemoetkomingsregeling over openstaande of recente belastingjaren; een gericht compensatiefonds voor de benadeelde groep; of een andere vorm van financiële compensatie? Zo ja, kunt u deze varianten, inclusief de juridische en budgettaire afwegingen, aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom is geen enkele rechtsherstelvariant op deze manier uitgewerkt?
7. Welke vormen van (beperkte) terugwerkende kracht zijn door u verkend, bijvoorbeeld herstel vanaf: de datum van de uitspraak van het gerechtshof; de datum van de conclusie van de Advocaat‑Generaal; de datum van het arrest van de Hoge Raad; of vanaf het moment waarop het kabinet intern heeft onderkend dat sprake was van een reëel verdragsrechtelijk discriminatievraagstuk? Wilt u per verkende variant toelichten waarom deze wel of niet haalbaar en juridisch verdedigbaar werd geacht?
8. Hoe heeft u bij de keuze voor louter prospectieve reparatie de volgende elementen systematisch gewogen: de geschatte omvang van de schade die de benadeelde groep in het verleden heeft geleden; de budgettaire lasten van een herstel‑ of compensatieregeling; de verdragsrechtelijke risico’s van het geheel ontbreken van rechtsherstel voor deze groep?
9. Kunt u uiteenzetten hoe vaak en op welke momenten in de voorbereiding van het wetsvoorstel expliciet de vraag is gesteld of “alleen toekomstige reparatie, zonder rechtsherstel voor het verleden” toereikend is in het licht van de internationale discriminatie‑ en rechtsbeschermingsnormen? Hoe is op die momenten besloten en gedocumenteerd?
10. Hoe verhoudt het ontbreken van elke vorm van herstel of compensatie in dit dossier zich tot andere gevallen waarin discriminatie door of bij de overheid werd vastgesteld (bijvoorbeeld bij ongelijke beloning), waarin wél beleidsaanpassing met terugwerkende kracht en/of compensatie is voorzien of overwogen? Kunt u een vergelijking maken en toelichten waarom hier een andere lijn is gevolgd?
11. Bent u bereid alsnog, in aanvulling op de reeds gekozen prospectieve maatregelen, een of meer concrete herstel‑ en compensatievarianten voor te bereiden, inclusief een voorstel voor een afgebakende periode van terugwerkende kracht, en deze ter beoordeling aan de Kamer voor te leggen? Zo nee, op welke gronden acht u dat – ondanks de vastgestelde discriminatie door de staat – niet nodig?
12. Bent u bereid alle relevante Beleidskompas‑documenten en onderliggende beleidsnotities over de afweging tussen toekomstige reparatie en rechtsherstel voor het verleden (in geanonimiseerde vorm waar nodig) integraal aan de Kamer te doen toekomen, zodat de Kamer de proportionaliteit en rechtmatigheid van de gekozen oplossing kan toetsen? Zo nee, waarom niet?
